Doopsgezinde wetenswaardigheden

Een Mennisten leugen

De Mennisten leugen: (betekent eigenlijk een halve waarheid).
Een groep soldaten had belangstelling voor de ´vette prijs´, die uitgeloofd was op het hoofd van Menno Simons.
Menno reisde met een postkoets - dat toen natuurlijk heel normaal was - en werd aangehouden. De hoofdman vroeg aan de Mennonieten: 'Heb jij recentelijk MENNO SIMONS gezien?' Daar zadelde hij de voorman der Mennonieten op met een stevig integriteitsprobleem! Vanuit zijn overtuiging mocht Simons n i e t liegen, maar het aanbieden van de brandstapel was evenmin aanlokkelijk. "`Neen, die heb ik niet gezien!" antwoordde hij de hoofdman, waarmee hij én de waarheid én de soldatenhoofdman feitelijk verkeerde informatie gaf! (de Mennistenleugen was geboren ...)

Wist u dat Doopsgezinden erg van zoetigheid houden? - Dat komt zo ...

Menno Simons was klein van stuk. Als hij een "hagepreek" hield zette men hem daarom op een vat, kist of krat.
Op een zekere dag stond hij weer eens op een vat. In het vuur van zijn toespraak zakte hij daar door heen. Jammer voor hem bleek dit een vat met stroop te zijn. Om arrestatie te voorkomen hebben de aanwezigen toen de laarzen van Menno afgelikt, hetgeen gezien de aard van de kleefstof (stroop) een zoete en aangename bezigheid was.

Wel eens gehoord van een "Mennisten bruiloft" ?

De Menisten waren oudtijds bekend door hunne eenvoudige leefwijze, als “stillen in den lande”.
Het feit dat “de Mennisten bruiloft” omstreeks het midden der 17de eeuw geschilderd stond op verscheidene uithangborden, o.a. van eene herberg te Amsterdam waar muziek gemaakt werd, bewijst wel, dat zoodanige bruiloft toen ter tijd gold als iets eigenaardigs, denkelijk als het toonbeeld van stemmigheid (zoodat het rumoerige speelhuis in schertsende tegenstelling aldus heette), maar tevens dat de uitdrukking in hare hedendaagsche beteekenis toen nog geheel onbekend was. Indien de toevoeging derhalve eerst uit later tijd dagteekent, schijnt het aannemelijker dat de bedoeling dezer benaming is geweest de bruiloften der Doopsgezinden, die in de 18de eeuw integendeel uitmuntten door de overdaad van fijne, uitgezochte lekkernijen, wellicht tevens hunne vanouds bekende zindelijkheid en keurigheid, door de tegenstelling van dit vuil, onwelriekend bedrijf te bespotten.’
De herberg van Jan Theunisz stond zó gunstig bekend, dat zich later meerdere muziekherbergen te Amsterdam met de naam “De Menniste Bruyloft” tooiden. Fatsoenlijke Burgers gingen er met hun Vrouwen heen, en wie een vrijster ten huwelijk zocht, althans wanneer hij geen Man van grote staat was, want die waren te groots om met Juffers in een burgerlijk gezelschap te komen, zou tonen dat hij zich het vrijen gans niet verstond, als hij zijn liefste niet in een Muziekhuis gebracht had, waarvan men er toenmaals maar een stuk of twee kon vinden.”

Een andere betekenis van het begrip Menistenbruiloft is volgens Van Dale schertsend ‘lediging van een beerput’. De mennisten stonden vroeger, in de 17de eeuw, als stemmige mensen bekend die hun bruiloften zonder veel rumoer vierden, evenals de nachtwerkers die 's nachts stil hun werk verrichtten. En daarom werd schertsenderwijze deze werkzaamheid, deze stille bruiloft (woordspel met stille, geheim gemak?) een menistenbruiloft genoemd.
We komen het begrip menistenbruiloft in deze laatste betekenis ook tegen in een artikel in Neerlands Volksleven (33, 1983, 19) over ‘De Boldootwagen’. Hierin wordt gezegd over de ‘stillevegers’ of ‘nachtwerkers’ die de menselijke uitwerpselen inzamelden: ‘In de 19e eeuw kwamen zij langs met een gesloten ijzeren wagen, door Amsterdammers betiteld als “de wagen van Boldoot”. Allerlei tonnen, potten en emmers werden in dit vehikel geleegd. Men noemde deze gebeurtenis wel de Meniste[n]bruiloft, misschien vanwege de ingetogen sfeer. Dat het hierbij zo schoon toeging als men de Doopsgezinden toedichtte, lijkt evenwel onwaarschijnlijk, want er zal op de steile trappen, in donkere portalen en op straat meermalen flink zijn gemorst.’

Bron: Rob Scholten Museum